De jongeren zijn net naar de interne school, als de telefoon op mijn afdeling gaat. Ik neem op en de docent die ik aan de telefoon krijg, steekt direct van wal: ‘’Je krijgt hem terug hoor, Nikki, hij verziekt mijn hele les. Er is altijd wat en nu sloopt hij ook nog mijn lesmateriaal.’’ Voordat ik kon reageren lag de hoorn er alweer op.
Ondertussen stond de jongen om wie het ging al bij de deur van mijn afdeling. In hoeverre ik dat vanaf mijn kantoor kon inschatten, was hij minstens net zo boos als zijn docent.
Ik loop naar hem toe, doe de deur open en ook hij steekt direct van wal. Hij heeft geen goed woord over voor zijn docent, hij schreeuwt, maakt ongecontroleerde bewegingen met zijn armen en is aan het schelden. De collega die met hem mee is gelopen, draait zich vrijwel direct om en zegt nog iets in de trant van: ‘’Het lukt wel zo, hè Nik?’’
Ik krijg geen contact met de jongen. Hij is aan het ventileren. Ik spreek naar hem uit dat dit oké is en dat ik luister. Ondertussen lopen we naar zijn kamer. Het zijn natuurlijk cellen; de deuren worden door ons op slot gedraaid en de jongeren hebben zelf geen sleutel, alle meubels zitten vast aan de vloer en de muur en er kan maar een klein luikje openen voor “frisse” lucht en daarvoor zitten tralies. Ik kan me dus voorstellen dat wanneer jongeren die zelf in zo’n situatie hebben gezeten, het woord kamer echt een totaal verkeerde woordkeuze vinden. Daar aangekomen is hij rustiger en kan ik hem vragen of hij mij kan uitleggen wat er, volgens hem, gebeurd is. Uit zijn verhaal maak ik op dat hij oprecht verbaast is dat hij uit de klas gestuurd is. Hij deed zo zijn best om op te letten. Toen ik hem vroeg wat er dan precies was gebeurd met het werkboek, begreep hij niet waar ik het over had.
Later die dag stond de groepsbehandeling ‘sociale vaardigheden’ op de planning, die ik samen met een collega zou geven. Tijdens het geven van de behandeling viel het mij op dat deze jongen onwijs geconcentreerd luisterde naar zijn groepsgenoten en mijn collega. Ook viel mij direct op dat hij aan het puntje van zijn antwoordblad zat te frummelen. Na afloop van de sessie lagen er allemaal witte balletjes onder de stoel waar hij gezeten had.
In de nabespreking vertelde ik dit aan mijn collega. Vervolgens heb ik met de jongen gedeeld wat mij was opgevallen. Ook nu was hij zich hier totaal niet van bewust. Aangezien deze jongen veel motorische onrust heeft, zou het goed kunnen dat hij, juist wanneer hij zich probeert te focussen, gaat frummelen aan spullen.
Mijn observaties en hypotheses besprak ik met de betreffende docent. De jongen, de docent en ik hebben afgesproken dat we de aankomende week een bol kneedgum aan de jongen zouden geven tijdens de les.
En wat denk je? Hij trok de kneedgum volledig uit elkaar en kneedde hem aan het einde van de les weer in elkaar. De oplossing bleek dus heel simpel. Het mooiste van dit alles? Deze jongen heeft zijn IVO examens gehaald in de tijd dat hij bij ons verbleef. Wat een kanjer!
Welke les heb ik hieruit gehaald?
Toen die ochtend de telefoon ging, had ik direct de gedachte: ‘’Het zal die docent wel weer zijn, met de mededeling dat het met die jongen weer niet lukt in de les.’’ En op het moment dat ik de deur opendeed voor die jongen, waren er ook gedachten als: ‘’Het is altijd wat bij die les tussen jou en die docent. Kan het nou nooit een keer normaal gaan?!’’
Zijn dit helpende gedachten? Nee, niet als ik me daardoor zou laten leiden. Maar doordat ik me er bewust van ben, merk ik vrij snel op dat ik geïrriteerd ben en kan ik ook snel achterhalen waarom. De gedachten ‘’Kan het nou nooit een keer normaal gaan?’’ maakt voor mij duidelijk dat dit vaker gebeurt en dat het belangrijk is om te onderzoeken waarom het nog niet lukt. Alleen dan zorg je er met elkaar voor dat de situatie kan veranderen.
Zo zie je wat het een jongere kan opleveren wanneer we iets verder kijken dan het zichtbare gedrag. Want wanneer we met elkaar blijven communiceren en zo met elkaar bepaalde puzzelstukjes kunnen verbinden, vinden we uiteindelijk een passende oplossing. Lukt dit bij jou al? Super! Kun je hier nog wel wat hulp bij gebruiken? Laten we dan eens sparren. Want twee weten meer dan één!